maandag 3 november 2008
Leonce en Lena - moderne bewerking. 1e scene
Een sleazy jaren ’90 bar, zo’n bar die eigenlijk alleen nog maar bestaansrecht heeft in low budget road trip films, zo’n bar waar de barman van pure eenzaamheid terugpraat tegen de dronkenlappen, zo’n bar die ondanks z’n faux-Amerikaanse uitstraling toch echt in Groot-Ammers staat.
Aan de bar hangt Leo. Leo lijkt wat dronken. De barman poetst glazen met een geblokte theedoek.
LEO
Wat? Wat nou?
Grote jongen met je theedoek.
…
Jij weet niet… jij weet niet wat ik doormaak.
Jij hebt geen idee.
BARMAN
Geen idee meneer.
LEO
Ik wil jou wel es mijn werk zien doen.
Zonder je stoere geblokte vriend daar, ben jij niets.
BARMAN
Helemaal niets.
LEO
Wat wil iedereen van me?
Iedere dag wordt er een stukje van me weggehaald, afgesneden. 365 stukjes per jaar. Als je m’n arm zou afhakken zou ik teveel ringen hebben, meer dan m’n jaren. Als een door en door verkankerde boom.
365 per jaar. En dan twee weken om wat spoedreparaties te plegen.
Alsof je een huis bouwt met pritt-stift.
Moet je es proberen. Kweekt levensbesef.
…ik heb een getal in m’n hoofd of ben je gelovig?
BARMAN
Gelovig?
LEO
Een vriend van me. Was gelovig. Kon nog geen vogel horen zingen, geen zonnestraal zien schijnen of daar kwamen de blote knietjes tevoorschijn, de ver-doorligwonderde knietjes en klets; op de grond en bidden maar.
Iedere bloedende zweer een stukje godsvrucht.
Die mocht geen getal in z’n hoofd. Was heidens.
BARMAN
Zes.
LEO
Zes?
Nee… nee dat is niet goed.
Nee dat kan ik niet goed rekenen.
Ik speel meestal met mezelf. Heb ik geleerd. Ik kan niet aan het getal denken, als ik wil.
Niet denken in het kwadraat. Kan ik erg goed. Suf hè?
BARMAN
Ach… nee.
LEO
Als ik drink gaat het beter. Dus ik drink. Zes, fout, acht, fout, drie dan, fout, oké vijf, jaaaa…
Gefeliciteerd.
BARMAN
Gefeliciteerd.
LEO
Man, hou toch op. Spreek me toch een keer tegen. Zeg het dan!
Dat ik mislukt ben, toevallig net te suf om een wrak te zijn maar alsnog niets waard.
Dat armzalige geminkukel altijd. Daar gaat de mens nog aan ten onder. Die lamlendigheid, die… die pure bloedeloze verveling die ons allemaal van a naar b duwt, van jong naar oud, van 9 tot 5 tot 9 tot 5 tot 9 tot…
En wij allemaal maar doen alsof het ons eigen idee is, onze vrije wil, onze keuze om als lamme puppy’s ons zelf gemaakte B-bestaan te leven. Zelfs onze lusten zijn door verveling gedreven terwijl het verdomme andersom zou moeten zijn.
Met de piemel uit de broek bestellen we postorderbruiden tijdens onze lunchpauze, we pielen er wat mee en als we ze zat zijn, prikken we er luchtgaatjes in en sturen we ze door.
Het is grappig maar lachen hoeven we niet. We zijn velletjes. Leeggelopen velletjes en iedere lach flubbert langs de randjes weg, ontsnapt ongelachen.
Wat zou ik ervoor geven, om… een ander B-bestaan. Desnoods… wat zou ik jouw leven, jouw geblokte vierkante meterbestaan, graag willen hebben… graag willen… voor één dagje maar…
Leo valt met zijn hoofd op de bar. De barman loopt weg om andere klanten te helpen.
Valerie, een stoere vrouw die zich duidelijk meerdere walletje laat smaken, ploft naast hem neer.
VALERIE (schreeuwt)
Hee!
Leo schiet overeind.
LEO
‘k heb niet geslapen…
VALERIE
Hoe hangt ie?
LEO
Hij hangt.
VALERIE
Duidelijk.
Valerie drinkt Leo’s drank op.
VALERIE
Ik ga zitten en mijmer, mijmer over de pure extase die het leven als barexpert, als glasbodemfilosoof brengt, over de zelf aaneengeregen rookgordijnen die me aan het oog van de wereld onttrekken.
LEO
Jij rookt teveel. Nog meer rookgordijnen en je vindt de wereld niet meer terug.
VALERIE
Is het niet mooi…? De hele wereld, gereduceerd tot rokerige dampkring en goedkoop nepkristal. Één hele grote ‘proost!’ naar de wereld, zó groot, je zou willen dat je een put was, niet? Dat je eeuwig kon blijven drinken.
LEO
’t is een wonder dat jij nog uit één deel bestaat. Je begint al een paar barstjes te vertonen jij.
VALERIE
Oorlogswonden. Ik blijf erbij; wie niet drinkt en vroeg naar bed gaat, is een hufter.
LEO
Wie netjes leeft is een hufter...?
VALERIE
Ja. Het is… het is de excuustruusgeneratie van gezond en gematigd, maar gezond en gematigd zijn precies dat, gezond en gematigd moeten ook slapen, en tot ze om half zeven weer springlevend en vol levensvreugd opstaan, mogen wij doen wat we willen.
Als ik nu op grond ga liggen en een kinderliedje kraai, geen haan die daarnaar terugkraait. Tot het einde der dagen of tenminste nog een paar uur kan ik doen wat ik wil, want gezond en gematigd zijn dood en begraven.
…
Ik doe een liedje!
LEO
Geen liedje.
Jij gedraagt je als een kater.
VALERIE
Dan ben ik tenminste nog iets. Katers zijn als toneelstukjes, als een poppenspel. Je hangt willoos aan de touwtjes die je zelf bespelen moet, je voert je eigen stukjes op waarin alles belangrijk is, iedere lichte hoofdpijn in werkelijkheid een hersentumor, ieder krasje een schotwond.
In het donker lijkt alles een rechte lijn, in het donker mag je zwalken, in het donker is ieder lapje grond het beste bed en de eerste de beste goot een goden-wc en dat maakt het leven makkelijker hoor…
dat maakt het leven beter.
LEO
Dat zal best, maar… die uren dat dat spoortje zon langs de chagrijnige hemel sjokt, die zijn er ook nog… ik kom ze niet meer door… Hoe vul je ze? Wat doe je?
VALERIE
O Leonard…. Leo Leo Leonard….
Het is een wederzijds ding… de wereld krabt mijn rug als ik de hare krab. Ik pis op de grond, en krijg spontaan een drankje terug… ik slaap overdag, gun de wereld een voorsprong, dus dat ik ’s nachts opblijf, de achterstand wegrook, is niet meer dan logisch… De ene hand wast de andere, elke vinger wil wat te krabben hebben en twee weten meer dan één, in andere woorden
Geen fuck.
LEO
O…
echt?
Klinkt niet slecht.
Mag ik….
Op de grond liggen en…
kraaien, liedje na liedje na…
ja…
dat lijkt me wel wat…
ik denk…
Valerie…
ik denk…
Ja.
dat het tijd is om naar huis te gaan.
VALERIE
Dat denk ik ook.
Zij blijven zitten.
dinsdag 21 oktober 2008
HUIS
Een alleszins doorsnee huisje, klein en niet bijzonder mooi, maar er staat een bordje naast.
Dat betekent wat, dus kijk vooral even binnen. En inderdaad:
Kleine regenlaarsjes in de hal.
Modderige spoortjes in de hal.
Bezoekertjes, groep na groep.
Letten we allemaal op? Wij vervolgen onze tocht.
Door de lege gangen, het kleine wc-tje met het haakje dat klemt, de huiskamer zonder meubels.
Openstaande raampjes, met allemaal een uitzicht van bordkarton en kinderverf.
Op de trap verstomt de galm de stemmen.
woont er eigenlijk wel iemand in dit huis?
Bij de trap naar zolder stopt de rondleiding;
de treden zijn te groot voor kleine voetjes.
Naar wat er op de zolder huist kunnen de bezoekertjes slechts gissen.
Of zetten ze een kamp op? Blijven ze hier wachten, jarenlang wachten?
Tot ze groeien, tot hun beentjes de grote traptreden kunnen beklimmen?
Op zolder is de bank, de muziek, de tv, de belopen vloerbedekking en de kussens die schreeuwen: hier wordt geleefd. Hier is iedereen welkom en trek vooral je schoenen uit. Hier wordt gefeest en gedanst en hier gebeuren dingen die we allemaal wel zouden willen meemaken.
Dat denken de bezoekertjes tenminste. Want zien kunnen ze het niet.
Ze wachten erop.
Ze wachten en wachten en wachten, en versperren de weg voor andere bezoekertjes, die in een lint naar buiten slingeren, naar het heuveltje, en die dan maar het bordje lezen.
‘Als je hier woonde, dan was je nu thuis.’
dinsdag 7 oktober 2008
2 gedichten en 1 titel die 1 lading dekt
CONTACTADVERTENTIE
Ik ben van metaal.
Ja echt.
Geolied weliswaar, dus horen doe je me niet.
Metalen voeten
metalen handen
metalen handen die zich in metalen haren verstrengeld hebben.
metalen buik
met metalen navel
en misschien wat staaldraad bij wijze van navelpluis.
metalen mond
metalen neus
metalen ogen
zien weinig maar weerspiegelen des te meer
en diep van binnen
een metalen hartje
dat metalig bonst.
Klonk. Klonk. Klonk.
Dat ben ik.
Als ik nat word sluit ik kort
waad ik verder, zink ik, verdrink ik
bewakingspoortjes piepen me wellustig na
maar ik ben, over het geheel genomen, toch best wel behoorlijk mezelf en vooral ook goed met kinderen.
En buigzaam bovendien.
maar alleen lukt het mij niet
help je me?
Ik heb slechts een mal nodig
jouw vorm om in te versmelten.
Warm me op. Dan doe ik de rest.
Hoi.
Ik ben ik.
Mag ik binnenkomen?
RELATIE-VERING
Weet je nog, de dagen van weleer
van kalfsleer en masturbeer
van jij en ik maar ik iets meer
van nooit te laat voor nog een keer.
Die dagen dat je dacht mijn god
als daar maar geen gedicht van komt.
dinsdag 2 september 2008
Au pair
Als ik naar bed ga
is het zes uur ’s ochtends.
Of zeven. Of acht.
Tijdens het avondeten, schijnt de maan.
Moet je je eens voorstellen.
Of het nieuws kijken onder de lunch.
Of de eerste sigaret als de rest van de wereld al longkanker heeft.
Echt lastig is het niet.
Alleen met telefoneren. Maar dat mag ik niet.
Dus dat scheelt alweer.
Eerst nog wel. Twee keer per maand.
De telefoon ging over,
vijf keer, zes keer, twaalf keer
en dan een vermoeide stem.
‘hallo?’
‘hallo’
gelukkig en ze kennen me nog
en hoe gaat het, goed, ja goed? Ja goed
nu ja hard werken maar dat wilde je toch ook,
ja dat wilde ik ook en ga toch lekker weer naar bed.
En kus en ik hou me taai.
Maar telefoon is duur
en zo hard werk ik niet,
dus zwaai maar naar de sterren
en schrijf een brief.
Als ik de kinderen in bad stop,
slaat bij hen de verwarming af.
Moet je eens voorstellen.
’s nachts lig ik wakker en
overdag ben ik moe en
hoe ze dat hier doen allemaal snap ik niet
maar dat is gewenning.
Als zeebenen.
En zeebenen zijn weer als O-benen
O-benen zijn een afwijking.
Moet je je eens voorstellen.
Overdag spelen we spelletjes.
Ik houd niet van kinderen
niet van deze
en deze houden niet van spelletjes
dus dat is wel zo eerlijk.
Ze lachen me uit.
In een andere taal dus ik begrijp ze niet.
maar ik bijt gewoon terug hoor.
hun namen kan ik niet uitspreken
maar universeel ben ik wel. Heus.
Het is niet,
dat het hier vroeger is of
later of altijd nacht of wat dan ook.
De tijd
Lijkt terug te stromen.
De verkeerde kant op, terug de oerstroom in.
Nog acht maanden,
binnenkort zeven en een half,
en dan, denk ik,
acht. Weer.
Negen. Tien. Elf. Twaalf
en twaalf is een jaar dus dan mag ik terug naar huis.
Terug naar de ‘spannend’s en de ‘ga je ons niet missen?’
en de sterren die ik gewoon mag negeren.
Hooguit m’n tong ernaar uitsteken.
Buuuuh!
Zo, dus.
Dat ik dat nooit gedaan heb.
Is toch ongelooflijk?
Achttien jaar.
Moet je je eens voorstellen.
Gewoon zijn.
Kan ik niet.
Ik ben moe. In twee talen.
Ben chagrijnig. In twee tijdzones.
Thuis ben ik gewoon.
Bleek dus heel moeilijk te zijn.
Moet je je eens voorstellen.
Alles waar ik thuis om lach.
Hier dus niet. Vanochtend
viel ik uit m’n bed.
Huilen gieren brullen.
Dat mevrouw kwam vragen wat er aan de hand was.
Of dat denk ik toch.
Dat ze dat zei.
Ik vermoed dat ze maar één iets tegen me zegt.
Als het eten lekker is,
als ik een vaas kapot maak,
als de kinders bijna verdrinken in bad,
ze zegt altijd het zelfde.
Moet je eens voorstellen.
Morgen spring ik van een brug.
Dat weet ik al.
Moet je je eens voorstellen.
donderdag 28 augustus 2008
Fashion statement.
En armoede de nieuwe rijkdom, zo sprak zij
geld en scheepjes verbrandend,
op een bankje in het park.
Haar juwelen at zij op.
En waarom ook niet?
Verruilde zij cocktailjurk voor vuilniszak,
auto voor winkelwagen,
tennissen voor ontspanning voor zwervers aftrekken voor geld,
werd zij gelukkig.
Werd zij ziek, hoestte zij zich de juwelen uit het lijf,
schreef ze haar kinderen dat het goed ging met haar, of beter nog:
het Nieuwe Goed.
De winter kwam, en bleef, en bleef, en steeds beter ging het.
De dokter gaf haar nog drie weken,
drie weken waarin het beter en beter zou gaan, totdat het niet beter meer kon.
En zo geschiedde,
zij dronk en sliep en verdiende geld tot haar armspieren verzuurden,
met haar eigen ondergang als hoogtepunt. Na hoogtepunt na hoogtepunt.
Ze had het gevoel dat ze leefde, voor het eerst, echt.
En, twee weken na Kerst, kreeg ze gelijk.
Zoeklichten bleken de nieuwe verjaardagskaarsjes,
blaffende honden het nieuwe verjaarsgezang.
Rood was immers het nieuwe blauw.
En het vrouwtje leefde nog lang en gelukkig.
vrijdag 22 augustus 2008
woensdag 6 augustus 2008
Hij-zij fragment
ZIJ
Ik heb hoofdpijn.
En ik ben opgeblazen.
Alsof mijn hoofd moet poepen.
En het nu beslist waar dat dan uit moet komen.
HIJ
Zij had hoofdpijn.
Hele poëtische hoofdpijn.
ZIJ
Misschien wil ik een paracetamol.
Wil ik een paracetamol?
Stilte.
ZIJ
Nou?
HIJ
Zij was wat twijfelig van aard.
ZIJ
Wil ik er één?
HIJ
Zij wilde geen paracetamol.
ZIJ
O.
HIJ
Er stonden namelijk dingen te gebeuren.
Donkere, duistere filmdingen.
ZIJ
Echt?
O.
Maar m’n haar zit heel suf.
En m’n huis ook.
Kan het niet morgen?
HIJ
Dingen die het daglicht niet kon verdragen.
ZIJ
Niet kunnen verdragen.
HIJ
Ook dat.
ZIJ
Zou je niet zeggen. Zo. Op het eerste gezicht.
HIJ
Als het nou nacht was, donkerzwarte horrornacht, zou dat helpen?
ZIJ
Dat zou helpen.
HIJ
Het was nacht. Donkerzwarte horrornacht.
Het bliksemde door de ruiten heen, haast, en de hond die hinnikte.
ZIJ
Haast.
HIJ
Haast.
Zij had de koelkast en de tv reeds afgesloten, bang voor inslagen als ze was.
Het huis zuchtte en steunde, zij zuchtte en steunde mee.
Het begon.
ZIJ
Ik begin.
Het is nacht.
Het stormt. Ik heb zojuist de koelkast en de tv afgesloten.
Ik ben bang voor inslagen, namelijk.
Ik ben een angstig persoon.
HIJ
Zij was bang voor vele dingen. Men noemde haar een angsthaas, en zij durfde daar niet tegenin te gaan.
ZIJ
Het bos naast het huis van mijn ouders.
Knipperende lichtjes waar ze niet horen.
Lachende baby’s.
Het idee dat ik nooit echt ergens klaar voor zal zijn.
Het idee dat ik ooit echt ergens klaar voor zal zijn.
Maakt me bang.
HIJ
Zij was een angsthaas.
ZIJ
Ik durf niet zo goed tegen mensen in te gaan.
Nu ga ik zitten en denken aan niets, goed?
HIJ
Goed. Maar zo meteen gebeurt er iets.
ZIJ
Pfft.
Stilte.
HIJ
Plotsklaps gebeurde er iets.
ZIJ
Er gebeurt iets! Plotsklaps, nog wel!
HIJ
De ramen begonnen te rinkelen. De bliksemflitsen hadden vrij spel, schoten door de huiskamer in een spel dat glazen kapot deed spatten. Dit is poëtisch, maar zij was niet in het minst ontroerd. Zij was bang.
ZIJ
Ik ben bang.
Zal ik me verstoppen achter de wasmand?
Daar ben ik klein.
HIJ
Maar dan zou ze de bel niet horen.
De bel gaat.
ZIJ
Gasten!
Gasten voor mij.
Toch?
HIJ
Zij was in de war.
Zij kreeg nooit gasten.
ZIJ
Nee, niet regelmatig.