How do I manage to station myself in harms way
and only get hit with a ticket for loitering?
donderdag 22 januari 2009
donderdag 15 januari 2009
Hmm....
Ik ben er niet over uit.
Vind ik dit briljant?
Of niet zo heel briljant?
Of zelfs vervelend?
Ik ben er niet over uit.
Vind ik dit briljant?
Of niet zo heel briljant?
Of zelfs vervelend?
Ik ben er niet over uit.
donderdag 8 januari 2009
Dialoog (geinspireerd door Gerardjan Rijnders)
VROUW: Kunnen we praten?
Ik heb slecht nieuws.
MAN: Slecht nieuws blijkt vaak goed te zijn.
VROUW: Ik ga dood.
MAN: Wanneer?
VROUW: Ik zoek het nog uit.
MAN: De dood zoekt jou uit.
VROUW: Dat schijnt het idee te zijn.
MAN: Maar jij moet je er weer mee bemoeien.
VROUW: Ik moet niets ik ga dood.
MAN: Precies.
VROUW: Hoezo?
MAN: Achterover leunen.
VROUW: Ik heb het idee dat jij niet naar mij luistert.
MAN: Ik heb het idee dat jij niet tegen mij praat.
VROUW: Seksestrijd.
MAN: Wat dat betreft verandert er weinig.
Nu jij dood gaat.
VROUW: Dat mag je best erkennen.
MAN: Op mijn eigen manier.
VROUW: Als de vagina sluit is de penis alleen.
MAN: Ik heb daar weinig mee. Penis. Het woord dan.
Het klinkt naar dokter.
VROUW: Ik was laatst bij de dokter.
Toen wist ik dat ik dood ging.
MAN: Je wist nog niet dat je ervan zou genieten.
VROUW: Het wordt een onderdeel van je.
Kanker.
MAN: Piemel klinkt naar kinderen.
VROUW: Lul.
MAN: Beter.
VROUW: Nee, jij. Lul.
MAN: Kankerhoer.
VROUW: Makkelijk.
MAN: Misschien moet je het helemaal geen naam geven.
Niet penis, niet piemel, niet lul, niet pik.
VROUW: Genotsknots.
MAN: Rijm doet me niets.
VROUW: Ankerkanker.
MAN: Dwangrijm.
VROUW: Maak me niet verdrietig.
MAN: Wees niet verdrietig.
VROUW: Jij bent zo’n man.
MAN: Jij gaat dood.
VROUW: De seksestrijd.
MAN: Jij bent een vrouw; jij wil eigenlijk een tweede vrouw met een penis, piemel,
lul, pik.
VROUW: Jij bent een man;
Jij wil het liefst met je kale ballen over de rug van een behaarde dwerg
wrijven.
MAN: Met een kut als een pick-up truck.
VROUW: En een anus als een lachend kind.
MAN: Als jij dood bent… duurt dat nog lang?
VROUW: Ik lig op schema.
MAN: Goed zo.
Als jij dood bent zal ik iets moeten doen.
Denk je niet?
VROUW: Het zou me wat doen.
MAN: Een zaadlozing.
VROUW: Dat lijkt me gepast.
MAN: Het is een afspraak.
VROUW: Ik wil je vragen om me te zoenen. Om dan geslagen te worden.
MAN: Wil je dat ik je sla?
VROUW: In de hitte van het moment. Haast per ongeluk.
MAN: Ik zal zien wat ik kan doen.
VROUW: Haast je.
MAN: Je hebt niet lang meer.
VROUW: Ik heb niet lang meer.
MAN: Wil je niet dat ik weg ga?
VROUW: Hoezo?
MAN: Omdat je niet wilt dat ik je zo zie.
VROUW: Ik wil dat je naar me kijkt.
Zonder me te zien.
MAN: Ik kan m’n ogen dichtdoen.
VROUW: Misschien moet je toch maar gaan.
MAN: Ik ben al weg.
VROUW: Daar ben ik blij over.
MAN: Mee.
VROUW: Wat?
MAN: Blij mee.
VROUW: Blij toe.
MAN: Blij toe.
VROUW: Nu ben ik alleen.
Ik heb geen kanker.
Ik ga niet dood.
Ik ben niet eens een vrouw.
En hij is geen man.
Wij zijn geen niets.
Ik wil geen iets.
Terwijl ik tv kijk heb ik geen kanker.
Onder de douche heb ik geen kanker.
Bij de bloemist heb ik even kanker.
Ik krijg een boeket.
Het verwelkt en wordt mooi.
Het vraagt een zekere toewijding.
Kanker.
Het wil je leven. Het leeft je.
Rotte eieren geven dodenadem.
Nacht tv geeft bleke teint.
Wandelstok geeft rugpijn.
Oorzaak en gevolg geven geen gehoor.
Ik haat het.
En wat blijkt
Nu ik het niet meer wil
Zijn wij een iets geworden.
Een ding.
Wij zijn de kanker.
Jij luistert.
MAN: Ik luister.
Ik heb een zaadlozing.
VROUW: Ik ruik het.
MAN: De seksestrijd.
VROUW: De man wast zijn pik…
MAN: …maar de vrouw ruikt buitenshuize kut.
VROUW: De vrouw had niet hoeven ruiken.
MAN: Maar ze deed het toch.
VROUW: Domme vrouw.
MAN: Domme strijd.
VROUW: Tot voorbij het graf.
MAN: Kunnen we praten?
Ik heb slecht nieuws.
Ik heb slecht nieuws.
MAN: Slecht nieuws blijkt vaak goed te zijn.
VROUW: Ik ga dood.
MAN: Wanneer?
VROUW: Ik zoek het nog uit.
MAN: De dood zoekt jou uit.
VROUW: Dat schijnt het idee te zijn.
MAN: Maar jij moet je er weer mee bemoeien.
VROUW: Ik moet niets ik ga dood.
MAN: Precies.
VROUW: Hoezo?
MAN: Achterover leunen.
VROUW: Ik heb het idee dat jij niet naar mij luistert.
MAN: Ik heb het idee dat jij niet tegen mij praat.
VROUW: Seksestrijd.
MAN: Wat dat betreft verandert er weinig.
Nu jij dood gaat.
VROUW: Dat mag je best erkennen.
MAN: Op mijn eigen manier.
VROUW: Als de vagina sluit is de penis alleen.
MAN: Ik heb daar weinig mee. Penis. Het woord dan.
Het klinkt naar dokter.
VROUW: Ik was laatst bij de dokter.
Toen wist ik dat ik dood ging.
MAN: Je wist nog niet dat je ervan zou genieten.
VROUW: Het wordt een onderdeel van je.
Kanker.
MAN: Piemel klinkt naar kinderen.
VROUW: Lul.
MAN: Beter.
VROUW: Nee, jij. Lul.
MAN: Kankerhoer.
VROUW: Makkelijk.
MAN: Misschien moet je het helemaal geen naam geven.
Niet penis, niet piemel, niet lul, niet pik.
VROUW: Genotsknots.
MAN: Rijm doet me niets.
VROUW: Ankerkanker.
MAN: Dwangrijm.
VROUW: Maak me niet verdrietig.
MAN: Wees niet verdrietig.
VROUW: Jij bent zo’n man.
MAN: Jij gaat dood.
VROUW: De seksestrijd.
MAN: Jij bent een vrouw; jij wil eigenlijk een tweede vrouw met een penis, piemel,
lul, pik.
VROUW: Jij bent een man;
Jij wil het liefst met je kale ballen over de rug van een behaarde dwerg
wrijven.
MAN: Met een kut als een pick-up truck.
VROUW: En een anus als een lachend kind.
MAN: Als jij dood bent… duurt dat nog lang?
VROUW: Ik lig op schema.
MAN: Goed zo.
Als jij dood bent zal ik iets moeten doen.
Denk je niet?
VROUW: Het zou me wat doen.
MAN: Een zaadlozing.
VROUW: Dat lijkt me gepast.
MAN: Het is een afspraak.
VROUW: Ik wil je vragen om me te zoenen. Om dan geslagen te worden.
MAN: Wil je dat ik je sla?
VROUW: In de hitte van het moment. Haast per ongeluk.
MAN: Ik zal zien wat ik kan doen.
VROUW: Haast je.
MAN: Je hebt niet lang meer.
VROUW: Ik heb niet lang meer.
MAN: Wil je niet dat ik weg ga?
VROUW: Hoezo?
MAN: Omdat je niet wilt dat ik je zo zie.
VROUW: Ik wil dat je naar me kijkt.
Zonder me te zien.
MAN: Ik kan m’n ogen dichtdoen.
VROUW: Misschien moet je toch maar gaan.
MAN: Ik ben al weg.
VROUW: Daar ben ik blij over.
MAN: Mee.
VROUW: Wat?
MAN: Blij mee.
VROUW: Blij toe.
MAN: Blij toe.
VROUW: Nu ben ik alleen.
Ik heb geen kanker.
Ik ga niet dood.
Ik ben niet eens een vrouw.
En hij is geen man.
Wij zijn geen niets.
Ik wil geen iets.
Terwijl ik tv kijk heb ik geen kanker.
Onder de douche heb ik geen kanker.
Bij de bloemist heb ik even kanker.
Ik krijg een boeket.
Het verwelkt en wordt mooi.
Het vraagt een zekere toewijding.
Kanker.
Het wil je leven. Het leeft je.
Rotte eieren geven dodenadem.
Nacht tv geeft bleke teint.
Wandelstok geeft rugpijn.
Oorzaak en gevolg geven geen gehoor.
Ik haat het.
En wat blijkt
Nu ik het niet meer wil
Zijn wij een iets geworden.
Een ding.
Wij zijn de kanker.
Jij luistert.
MAN: Ik luister.
Ik heb een zaadlozing.
VROUW: Ik ruik het.
MAN: De seksestrijd.
VROUW: De man wast zijn pik…
MAN: …maar de vrouw ruikt buitenshuize kut.
VROUW: De vrouw had niet hoeven ruiken.
MAN: Maar ze deed het toch.
VROUW: Domme vrouw.
MAN: Domme strijd.
VROUW: Tot voorbij het graf.
MAN: Kunnen we praten?
Ik heb slecht nieuws.
dinsdag 6 januari 2009
2 gedichten.
TV-KERST
Twee kerstkaarten
Één gemiste oproep
en meer sneeuw dan in Oostenrijk
volgens de radio
… kijk uit het raam.
… Pakt de telefoon.
… draait een nummer.
De telefoon gaat over.
De telefoon gaat over.
De telefoon gaat over.
… spreekt geen voicemail in.
… drukt geen hekje om zijn bericht opnieuw in te spreken
of terug te luisteren.
Of voor andere opties.
… legt de telefoon neer.
… Loopt naar de keuken.
… Laat de wasbak vollopen met warm water.
… Steekt zijn hoofd erin.
De telefoon gaat over.
De telefoon gaat over.
De telefoon gaat over.
… Sterft.
DAG BESTE MAN
Dag beste man
Loopt u een stukje met mij op?
Mijn paraplu is immers zoek
Kom, laat ons door dit steegje lopen
Het is hier stil, niet?
Laat ons hier even rusten.
Zeg beste man
mag ik u een geheimpje vertellen?
In mijn handtasje heb ik een verrassing.
Doet u eventjes de oogjes toe.
En niet stiekem spieken hè?
Ik heb even een karweitje te doen.
O beste man
is het niet te koud zo met de billen bloot?
zo kan ik er net wat beter bij.
Ik rits kwiek mijn handtasje open
wat is een vrouw zonder haar spulletjes?
Inderdaad meneer, weinig tot niets.
Maar beste man
waarom schreeuwt u toch zo hard?
Ik ben in luttele minuten klaar.
Met een schaartje knippen we
tot rafeltjes, gaat dat niet vlot?
En nu verbinden we draadje
aan draadje aan draadje
deksels goed vlechtwerk, vindt u niet?
Zeg u het maar na.
Goed zo, beste man.
Dat viel toch best wel mee?
en nu kunt u met alle vlijt
weer naar de kindjes kijken
naar hun hupsende billetjes
vanuit de struikjes verderop.
Dag hoor, vieze man
Dat geeft een veilig gevoel, niet?
Dat doet het inderdaad.
Een verdomd veilig gevoel.
Dag beste man.
Twee kerstkaarten
Één gemiste oproep
en meer sneeuw dan in Oostenrijk
volgens de radio
… kijk uit het raam.
… Pakt de telefoon.
… draait een nummer.
De telefoon gaat over.
De telefoon gaat over.
De telefoon gaat over.
… spreekt geen voicemail in.
… drukt geen hekje om zijn bericht opnieuw in te spreken
of terug te luisteren.
Of voor andere opties.
… legt de telefoon neer.
… Loopt naar de keuken.
… Laat de wasbak vollopen met warm water.
… Steekt zijn hoofd erin.
De telefoon gaat over.
De telefoon gaat over.
De telefoon gaat over.
… Sterft.
DAG BESTE MAN
Dag beste man
Loopt u een stukje met mij op?
Mijn paraplu is immers zoek
Kom, laat ons door dit steegje lopen
Het is hier stil, niet?
Laat ons hier even rusten.
Zeg beste man
mag ik u een geheimpje vertellen?
In mijn handtasje heb ik een verrassing.
Doet u eventjes de oogjes toe.
En niet stiekem spieken hè?
Ik heb even een karweitje te doen.
O beste man
is het niet te koud zo met de billen bloot?
zo kan ik er net wat beter bij.
Ik rits kwiek mijn handtasje open
wat is een vrouw zonder haar spulletjes?
Inderdaad meneer, weinig tot niets.
Maar beste man
waarom schreeuwt u toch zo hard?
Ik ben in luttele minuten klaar.
Met een schaartje knippen we
tot rafeltjes, gaat dat niet vlot?
En nu verbinden we draadje
aan draadje aan draadje
deksels goed vlechtwerk, vindt u niet?
Zeg u het maar na.
Goed zo, beste man.
Dat viel toch best wel mee?
en nu kunt u met alle vlijt
weer naar de kindjes kijken
naar hun hupsende billetjes
vanuit de struikjes verderop.
Dag hoor, vieze man
Dat geeft een veilig gevoel, niet?
Dat doet het inderdaad.
Een verdomd veilig gevoel.
Dag beste man.
maandag 5 januari 2009
zondag 21 december 2008
Ons Wil 2
nog een klein stukje :)
---
MOEDER
Ik weet wel dat jij denkt dat ik zo’n verschrikkelijk wild en nat en geil bestaan heb maar niet écht hoor…
Weet jij waar ik heen ga, als ik de stad inga?
Naar lezingen. Voor alleenstaande vrouwen. Heh.
Afgebladderde achterafzaaltjes vol oestrogeenbommen die woede en wrok zweten.
Maar, niet getreurd, uiteindelijk vindt de massa de perfecte partner, springt de vonk over, de hele godvergeten Aha-erlebnis.
…
Ze hebben de vrouwenblaadjeswaarheid in pacht. Met mantra’s en al.
Ik ben mijn eigen persoon. Wist je dat?
Als ik ’s avonds alleen terugrij ben ik mijn eigen persoon.
Als ik magnetronmaaltijden insla ben ik mijn eigen persoon.
Als ik m’n borsten moet optillen om daaronder te wassen ben ik mijn eigen persoon.
Als ik alleen nog maar op de knieën ga om de vloer te schrobben ben ik mijn eigen persoon.
En terwijl ik zo ontzettend mijn eigen persoon ben,
blijf ik me maar afvragen wie toch de massa is.
En waar ze massaal die ‘vonk’ vandaan halen.
En waarom geen enkele David Peter Karel Maarten Archibald of elke andere hint van een man de zijne met mij wil delen.
---
MOEDER
Ik weet wel dat jij denkt dat ik zo’n verschrikkelijk wild en nat en geil bestaan heb maar niet écht hoor…
Weet jij waar ik heen ga, als ik de stad inga?
Naar lezingen. Voor alleenstaande vrouwen. Heh.
Afgebladderde achterafzaaltjes vol oestrogeenbommen die woede en wrok zweten.
Maar, niet getreurd, uiteindelijk vindt de massa de perfecte partner, springt de vonk over, de hele godvergeten Aha-erlebnis.
…
Ze hebben de vrouwenblaadjeswaarheid in pacht. Met mantra’s en al.
Ik ben mijn eigen persoon. Wist je dat?
Als ik ’s avonds alleen terugrij ben ik mijn eigen persoon.
Als ik magnetronmaaltijden insla ben ik mijn eigen persoon.
Als ik m’n borsten moet optillen om daaronder te wassen ben ik mijn eigen persoon.
Als ik alleen nog maar op de knieën ga om de vloer te schrobben ben ik mijn eigen persoon.
En terwijl ik zo ontzettend mijn eigen persoon ben,
blijf ik me maar afvragen wie toch de massa is.
En waar ze massaal die ‘vonk’ vandaan halen.
En waarom geen enkele David Peter Karel Maarten Archibald of elke andere hint van een man de zijne met mij wil delen.
woensdag 17 december 2008
ONS WIL
De werktitel van een toneelstuk dat ik schrijf, en dat ergens in mei opgevoerd zal worden. Hieronder de eerste versie van de eerste tekst die ik ervoor geschreven heb (even voor de indekking... :P)
JONGEN
We zijn een machine.
Een machine die het doet juist omdat ieder radertje hapert, blijft hangen.
Daar gaan ze van uit.
Daar wachten ze op.
Dus ik haper.
En ik blijf hangen.
…en inderdaad.
De machine doet het.
Ik luister naar haar ritme.
Het is nacht.
De ruimte is 8 passen bij 6.
Dat was ze vijf uur geleden ook.
Drie weken geleden ook.
Mijn moeder veegt met haar lippen langs m’n oor
stapt in en rijdt weg.
Ik loop naar binnen.
Ik moet wachten.
Ik wacht.
Voeten lopen langs, ik durf er geen gezichten bij te denken.
Iemand komt naar me toe.
Neemt me mee naar een andere kamer.
Kleedt me uit.
Onderzoekt me.
Kijkt of de symptomen niet gewoon weggewassen kunnen worden.
Voelt in alle hoekjes en gaatjes van me.
Nee hoor.
Het zit overal.
Het is hier
alsof je min of meer per ongeluk niet weggaat.
En nog een keer niet weggaat
en nog een keer niet weggaat
en nog een keer niet weggaat
en opeens, zonder dat je het doorhad
ben je hier thuis.
word je uit jezelf wakker om half zeven.
Sta je om zeven uur onder de douche
zonder dat je weet hoe je daar gekomen bent.
Zit je tegen beter weten
om twaalf uur in de ‘recreatieruimte’.
Te re-cre-ë-ren.
Er staat een pingpongtafel en mooie bordspellen bovendien
en eens in de zoveel tijd jaagt er iemand een mes door z’n polsen heen.
Als we een snijdertje hebben.
In de ‘recreatieruimte’.
Want ophangen doe je in je slaapkamer.
Uiteraard.
Etiquette blijft etiquette.
Ik loop zes passen.
Kwartslag naar links.
Acht passen.
Kwartslag naar links.
Zes passen weer.
Kwartslag naar links.
Ik loop in het ritme van het gebouw.
Haar boze zuchten en kreunen.
Maar gekte laat zich niet bedwingen
en al helemaal niet op kousenvoeten -
HOU OP!
De geluiden die de anderen maken houdt even op, zwelt dan opnieuw aan. Dit neemt vanaf nu steeds meer toe in volume. De jongen legt zijn handen op zijn oren.
JONGEN
Ik slaap niet meer.
Eerst wilde ik niet
Nu kan ik niet.
Als zij me niet wakker houden
doe ik het wel
En anders de -
PERSONAGE
Controle!
Fel (gang)licht, kort.
JONGEN
Ieder halfuur controle. In het begin.
Voor mij ieder uur nu.
Promotie.
Maar ik slaap met iemand anders op de kamer.
Die wordt ieder half uur gecontroleerd.
Dus het effect is hetzelfde.
…
Hij heeft zijn vader in brand gestoken.
Dat zeggen ze tenminste.
Op een dag komt hij thuis.
Hij gooit zijn jas over zijn stoel.
Loopt naar boven en ziet zijn vader.
In zijn zusje.
Hij loopt naar de schuur.
Pakt een jerrycan.
Loopt terug het huis in.
Giet de jerrycan leeg over vader.
steekt een lucifer aan.
…
Zusje lag in de weg.
Dat zeggen ze.
Ik heb niemand in brand gestoken.
Ik heb mijn moeder niet geslagen.
Ik heb nog geen hond geschopt.
Ik schaam me.
Dus in de recreatieruimte gooi ik met stoelen en banken.
Ik stap op de ping pong bal.
maak de mooie bordspellen kapot.
Ze worden niet boos.
Ik heb gehaperd. Ik ben blijven hangen.
Zoals het hoort.
Wel word ik strenger bewaakt.
Mijn promotie ben ik kwijt; ieder halfuur gecontroleerd.
Maar ik slaap met iemand anders op de kamer
die al ieder half uur wordt gecontroleerd.
Dus het effect is hetzelfde.
En slapen deed ik toch al niet.
Ik luister naar het ritme.
Laat me wiegen.
Schurk tegen de klanken
Tot ze bij me binnendruipen.
In m’n oren en ogen en neus en mond.
In alle hoekjes en gaatjes van me.
Ik moet wel.
JONGEN
We zijn een machine.
Een machine die het doet juist omdat ieder radertje hapert, blijft hangen.
Daar gaan ze van uit.
Daar wachten ze op.
Dus ik haper.
En ik blijf hangen.
…en inderdaad.
De machine doet het.
Ik luister naar haar ritme.
Het is nacht.
De ruimte is 8 passen bij 6.
Dat was ze vijf uur geleden ook.
Drie weken geleden ook.
Mijn moeder veegt met haar lippen langs m’n oor
stapt in en rijdt weg.
Ik loop naar binnen.
Ik moet wachten.
Ik wacht.
Voeten lopen langs, ik durf er geen gezichten bij te denken.
Iemand komt naar me toe.
Neemt me mee naar een andere kamer.
Kleedt me uit.
Onderzoekt me.
Kijkt of de symptomen niet gewoon weggewassen kunnen worden.
Voelt in alle hoekjes en gaatjes van me.
Nee hoor.
Het zit overal.
Het is hier
alsof je min of meer per ongeluk niet weggaat.
En nog een keer niet weggaat
en nog een keer niet weggaat
en nog een keer niet weggaat
en opeens, zonder dat je het doorhad
ben je hier thuis.
word je uit jezelf wakker om half zeven.
Sta je om zeven uur onder de douche
zonder dat je weet hoe je daar gekomen bent.
Zit je tegen beter weten
om twaalf uur in de ‘recreatieruimte’.
Te re-cre-ë-ren.
Er staat een pingpongtafel en mooie bordspellen bovendien
en eens in de zoveel tijd jaagt er iemand een mes door z’n polsen heen.
Als we een snijdertje hebben.
In de ‘recreatieruimte’.
Want ophangen doe je in je slaapkamer.
Uiteraard.
Etiquette blijft etiquette.
Ik loop zes passen.
Kwartslag naar links.
Acht passen.
Kwartslag naar links.
Zes passen weer.
Kwartslag naar links.
Ik loop in het ritme van het gebouw.
Haar boze zuchten en kreunen.
Maar gekte laat zich niet bedwingen
en al helemaal niet op kousenvoeten -
HOU OP!
De geluiden die de anderen maken houdt even op, zwelt dan opnieuw aan. Dit neemt vanaf nu steeds meer toe in volume. De jongen legt zijn handen op zijn oren.
JONGEN
Ik slaap niet meer.
Eerst wilde ik niet
Nu kan ik niet.
Als zij me niet wakker houden
doe ik het wel
En anders de -
PERSONAGE
Controle!
Fel (gang)licht, kort.
JONGEN
Ieder halfuur controle. In het begin.
Voor mij ieder uur nu.
Promotie.
Maar ik slaap met iemand anders op de kamer.
Die wordt ieder half uur gecontroleerd.
Dus het effect is hetzelfde.
…
Hij heeft zijn vader in brand gestoken.
Dat zeggen ze tenminste.
Op een dag komt hij thuis.
Hij gooit zijn jas over zijn stoel.
Loopt naar boven en ziet zijn vader.
In zijn zusje.
Hij loopt naar de schuur.
Pakt een jerrycan.
Loopt terug het huis in.
Giet de jerrycan leeg over vader.
steekt een lucifer aan.
…
Zusje lag in de weg.
Dat zeggen ze.
Ik heb niemand in brand gestoken.
Ik heb mijn moeder niet geslagen.
Ik heb nog geen hond geschopt.
Ik schaam me.
Dus in de recreatieruimte gooi ik met stoelen en banken.
Ik stap op de ping pong bal.
maak de mooie bordspellen kapot.
Ze worden niet boos.
Ik heb gehaperd. Ik ben blijven hangen.
Zoals het hoort.
Wel word ik strenger bewaakt.
Mijn promotie ben ik kwijt; ieder halfuur gecontroleerd.
Maar ik slaap met iemand anders op de kamer
die al ieder half uur wordt gecontroleerd.
Dus het effect is hetzelfde.
En slapen deed ik toch al niet.
Ik luister naar het ritme.
Laat me wiegen.
Schurk tegen de klanken
Tot ze bij me binnendruipen.
In m’n oren en ogen en neus en mond.
In alle hoekjes en gaatjes van me.
Ik moet wel.
Abonneren op:
Posts (Atom)